Amsterdam blijft jaarlijks miljoenen euro’s uittrekken voor de opvang en begeleiding van mensen zonder geldige verblijfsstatus. Dat gebeurt terwijl het Rijk begin 2025 is gestopt met de landelijke financiering van deze vorm van opvang. Volgens een uitgebreide analyse van Wouter Roorda bij Wynia’s Week gaat het in de hoofdstad naar schatting om 17,5 tot 20 miljoen euro per jaar.
Het geld wordt niet alleen besteed aan opvang. Ongedocumenteerden krijgen ook begeleiding en ondersteuning, terwijl bij uitgeprocedeerde asielzoekers opnieuw kan worden gekeken of er juridische mogelijkheden bestaan om alsnog rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen.
De Amsterdamse aanpak roept daarmee een fundamentele vraag op: waarom blijft de gemeente zoveel geld besteden aan mensen die volgens eerdere procedures geen verblijfsrecht hebben gekregen?
Die discussie wordt extra gevoelig doordat Amsterdam tegelijkertijd met grote financiële uitdagingen kampt en de gemeenteschuld volgens de genoemde analyse verder oploopt, van ongeveer 9 miljard naar 10 miljard euro.
Amsterdam blijft opvang zelf financieren
De achtergrond van de discussie ligt bij de opvang van ongedocumenteerden en uitgeprocedeerde asielzoekers. Het gaat om mensen die geen geldige verblijfsvergunning hebben, maar zich nog wel in Nederland bevinden.
Jarenlang bestond hiervoor een constructie waarbij gemeenten samen met het Rijk opvang en begeleiding organiseerden. Nadat de landelijke financiering begin 2025 werd beëindigd, moesten gemeenten zelf bepalen hoe zij verder wilden gaan.
Amsterdam koos ervoor om de ondersteuning niet simpelweg stop te zetten.
De gemeente blijft op eigen kosten opvangplekken, begeleiding en andere vormen van ondersteuning beschikbaar stellen. Volgens de analyse van Roorda gaat het daarbij om honderden mensen en lopen de jaarlijkse kosten op tot naar schatting 17,5 à 20 miljoen euro.
Dat is een aanzienlijk bedrag, zeker omdat deze uitgaven uiteindelijk uit gemeentelijke middelen moeten worden betaald.
Waarom kiest Amsterdam voor deze aanpak?

Voorstanders van de Amsterdamse aanpak wijzen onder meer op humanitaire en maatschappelijke argumenten. Wanneer mensen zonder verblijfsstatus volledig op straat terechtkomen, verdwijnen de problemen immers niet automatisch.
Zonder opvang kunnen mensen terechtkomen in dakloosheid en extreme bestaansonzekerheid. Dat kan vervolgens weer leiden tot aanvullende maatschappelijke problemen en kosten.
Vanuit die redenering kan tijdelijke opvang worden gezien als een manier om mensen in beeld te houden en te begeleiden naar een oplossing.
Die oplossing hoeft overigens niet altijd een verblijfsvergunning te zijn.
Begeleiding kan bijvoorbeeld ook gericht zijn op terugkeer naar het land van herkomst of vertrek naar een ander land waar iemand wel rechtmatig kan verblijven. Tegelijkertijd kan worden onderzocht of de juridische situatie van een persoon sinds een eerdere asiel- of verblijfsprocedure is veranderd.
Precies dat laatste punt maakt de Amsterdamse aanpak politiek gevoelig.
Opnieuw kijken naar mogelijkheden voor een verblijfsvergunning
Volgens de analyse wordt bij uitgeprocedeerde asielzoekers namelijk ook onderzocht of er alsnog juridische mogelijkheden bestaan om een verblijfsstatus te verkrijgen.
Een eerdere afwijzing betekent niet noodzakelijk dat iedere toekomstige juridische procedure per definitie kansloos is. Omstandigheden kunnen veranderen, nieuwe informatie kan beschikbaar komen en in individuele gevallen kunnen andere juridische gronden relevant worden.
Daarom kan opnieuw naar een dossier worden gekeken.
Critici plaatsen daar echter grote vraagtekens bij.
Zij vragen zich af waarom gemeentelijk belastinggeld moet worden gebruikt om mensen die eerder geen verblijfsrecht kregen opnieuw juridisch te begeleiden bij het onderzoeken van mogelijkheden om in Nederland te blijven.
Daarmee raakt de discussie aan een veel groter politiek vraagstuk: waar eindigt de verantwoordelijkheid van de landelijke overheid en waar begint die van een gemeente?
Gemeente Amsterdam tegenover landelijk beleid

Juist doordat het Rijk de financiering heeft beëindigd, ontstaat een opvallende situatie.
Landelijk wordt gekozen voor het stopzetten van financiering, terwijl Amsterdam besluit de opvang met eigen middelen voort te zetten. Hierdoor kunnen grote verschillen ontstaan tussen gemeenten.
Een ongedocumenteerde in Amsterdam kan daardoor mogelijk toegang hebben tot voorzieningen die in een andere gemeente niet of veel beperkter beschikbaar zijn.
Dat roept vragen op over de uitvoerbaarheid en consistentie van het Nederlandse migratiebeleid.
Wanneer het landelijke beleid erop is gericht dat mensen zonder verblijfsrecht Nederland verlaten, maar een gemeente tegelijkertijd opvang en juridische begeleiding blijft financieren, kunnen landelijke en lokale beleidsdoelstellingen met elkaar botsen.
Amsterdam verdedigt zijn eigen verantwoordelijkheid voor de openbare orde, volksgezondheid en menselijke waardigheid binnen de stad. Tegenstanders vinden juist dat migratie- en verblijfsbeleid primair een verantwoordelijkheid van het Rijk moet blijven.
Kosten lopen op tot 20 miljoen euro per jaar
Vooral het financiële aspect trekt veel aandacht.
Een jaarlijkse uitgave van naar schatting 17,5 tot 20 miljoen euro betekent dat Amsterdam over een periode van vijf jaar potentieel tientallen miljoenen euro’s aan dit beleid kan besteden wanneer de kosten op een vergelijkbaar niveau blijven.
Voor critici is daarom niet alleen de vraag wat Amsterdam doet, maar vooral of dit een verantwoorde prioriteit is.
Gemeenten hebben immers ook te maken met grote uitgaven aan woningbouw, jeugdzorg, infrastructuur, veiligheid, armoedebestrijding en andere lokale voorzieningen.
Elke euro kan uiteindelijk maar één keer worden uitgegeven.
Daar staat tegenover dat voorstanders waarschuwen dat het volledig beëindigen van opvang eveneens kosten kan veroorzaken. Mensen verdwijnen dan niet automatisch uit Nederland. Wanneer zij op straat terechtkomen, kunnen andere gemeentelijke diensten en maatschappelijke organisaties alsnog met de gevolgen worden geconfronteerd.
De discussie over de kosten is daardoor ingewikkelder dan alleen het bedrag dat rechtstreeks aan opvang wordt besteed.
Amsterdamse schuld richting 10 miljard euro
De kwestie wordt nog gevoeliger door de bredere financiële positie van Amsterdam.
Volgens de genoemde analyse loopt de gemeenteschuld op van ongeveer 9 miljard naar 10 miljard euro.
Dat betekent niet automatisch dat Amsterdam financieel failliet dreigt te gaan. Gemeenten lenen bijvoorbeeld ook geld voor langlopende investeringen in infrastructuur, gebiedsontwikkeling en andere projecten.
Toch zorgt een stijgende schuld ervoor dat politieke keuzes over tientallen miljoenen euro’s scherper worden bekeken.
Critici zullen zich afvragen waarom Amsterdam miljoenen blijft reserveren voor de opvang en begeleiding van ongedocumenteerden terwijl de schuld verder stijgt.
Voorstanders zullen daartegenover stellen dat een gemeentelijke begroting uit veel verschillende onderdelen bestaat en dat het schrappen van deze opvang de financiële problemen van Amsterdam niet plotseling oplost.
Daarmee wordt het debat uiteindelijk een discussie over politieke prioriteiten.
Wie moet verantwoordelijk zijn voor uitgeprocedeerde asielzoekers?
Onder de financiële discussie ligt bovendien een bestuurlijk probleem.
Asiel, verblijfsvergunningen en terugkeer vallen grotendeels onder het nationale migratiebeleid. Gemeenten krijgen echter in de praktijk te maken met mensen die na afloop van procedures niet uit Nederland vertrekken en binnen hun gemeente blijven wonen.
Wanneer het Rijk zegt dat iemand moet vertrekken, maar die persoon feitelijk in Amsterdam blijft, krijgt de gemeente te maken met de praktische gevolgen.
Moet Amsterdam dan opvang bieden?
Moet de gemeente helpen bij terugkeer?
Moet juridische begeleiding worden aangeboden wanneer er mogelijk nieuwe verblijfsgronden bestaan?
Of moet Amsterdam iedere verantwoordelijkheid beëindigen zodra de landelijke procedures zijn afgerond?
Op die vragen bestaan sterk uiteenlopende politieke antwoorden.
Politieke discussie over gemeentelijk belastinggeld
De miljoenenuitgaven passen daardoor in het bredere Nederlandse debat over asiel en migratie.
Tegenstanders zien het beleid als een voorbeeld van een gemeente die met eigen geld beleid blijft uitvoeren dat niet aansluit bij de koers van het Rijk. Zij vrezen bovendien dat langdurige opvang de prikkel om Nederland daadwerkelijk te verlaten kan verminderen.
Voorstanders benadrukken juist dat een overheid niet kan doen alsof mensen verdwijnen zodra hun verblijfsprocedure is afgelopen. Zolang zij daadwerkelijk in de stad verblijven, moet volgens die redenering worden gezocht naar een werkbare oplossing: terugkeer, rechtmatig verblijf wanneer daar alsnog juridische gronden voor bestaan, of een andere duurzame uitkomst.
Daarmee staan twee uitgangspunten tegenover elkaar: handhaving van het migratiebeleid en het voorkomen van humanitaire en maatschappelijke problemen op lokaal niveau.
Amsterdam maakt bewust een andere keuze
Eén ding is duidelijk: Amsterdam kiest ervoor om na het wegvallen van de landelijke financiering zelf geld beschikbaar te blijven stellen.
Met jaarlijkse kosten die volgens de analyse kunnen oplopen tot ongeveer 20 miljoen euro gaat het niet om een symbolische regeling. Het is een structurele politieke en financiële keuze.
De combinatie van opvang, begeleiding en onderzoek naar mogelijke juridische verblijfsroutes maakt de kwestie bovendien veel breder dan alleen noodopvang.
Tegelijkertijd blijft de financiële positie van Amsterdam onderwerp van discussie. Wanneer de gemeenteschuld richting 10 miljard euro beweegt, zullen uitgaven van tientallen miljoenen euro’s onvermijdelijk onder een vergrootglas komen te liggen.
De kern van de discussie blijft daarom niet alleen hoeveel Amsterdam uitgeeft, maar vooral welke verantwoordelijkheid een gemeente moet nemen voor mensen die volgens het landelijke migratiesysteem geen verblijfsrecht hebben, maar feitelijk nog altijd in de stad aanwezig zijn.